De plaats van Jenaplanonderwijs in het onderwijsveld
Kenmerken van Jenaplanonderwijs
De opvoeding die Petersen in de universiteitsschool van Jena wilde verwezenlijken ging uit van een mensbeschouwing die antropologisch gefundeerd was: de mens is niet alleen een rationeel wezen maar de irrationele aspecten zijn evenzeer van belang; scholen moeten jongeren niet met eenzijdige rationeel-technische procedures voorbereiden op een rationeel technische maatschappij (waarbij alleen een beroep gedaan wordt op het verstand) maar opvoeding en onderwijs dienen elke jongere als totaliteit van hoofd, hart en handen te benaderen.
Opvoeding bevatte bij Petersen twee componenten: Erziehung (geestelijke groei die ontstaat door met anderen in de wereld te leven) Pädagogie (bewust handelen om de geestelijke groei te bevorderen). Onderwijs kan pas werkelijk bijdragen tot geestelijke groei, wanneer het echte ervaringen zo dicht mogelijk benadert. Door het creëren van zo authentiek mogelijke ervaringen ontstaan ‘pedagogische situaties’:”contactsituaties tussen opvoeders en leerlingen met zodanig voorgestructureerde problemen, dat iedere aanwezige als totale persoon wordt uitgedaagd tot meedenken en meedoen. De docent is niet in de eerst plaats de eiser, de vraagsteller of de aanbieder van leerstof maar degene die de pedagogische situatie creëert.
De jongere raakt door die vormgeving betrokken, een noodzakelijke voorwaarde voor leren. Ook de docent is een betrokkene, geen buitenstaander. Petersen vond het van groot belang dat ook de leerkracht belangstellend en écht’ (zichzelf) is.
Door mensen in pedagogische situaties betrokken te laten raken dankzij echt belangstellende docenten, worden zij opgevoed. Op Jenaplanscholen is de opvoeding primair.
Jenaplanonderwijs gaat dus uit van leren in situaties, waarbij mensen elkaar ontmoeten. Bij die ontmoetingen worden vier grondvormen onderscheiden:
Gesprek: niet eenzijdig maar echte communicatie, vaak in kringvorm. Voorbeelden: observatiekring, leeskring, planningskring, verslagkring enzovoort. Maar er zijn ook persoonlijke gesprekken en veel gesprekken in kleinere groepen (bijvoorbeeld bij meningsvorming of probleemoplossing).
Spel: spelend leren, ontdekken, rollenspel, sportief spel enzovoort.
Werk: het gericht werken aan een probleem, individueel of in een groep, bijvoorbeeld bij toepassingen en vaardigheden.
Viering: gemeenschappelijke afsluiting van werk: presentatie, nabeschouwing enzovoort.
Bijvoorbeeld in de weeksluiting.
Naast de grondvormen zijn er diverse – voor het Jenaplan – kenmerkende groeperingsvormen:
De stamgroep: een heterogene groep, waar een jongere leert, leeft en werkt.
De tafelgroep: een , vaak door leerlingen zelf gekozen, heterogene groep van ongeveer vijf leerlingen, die samenwerken en elkaar helpen.
De niveaugroep: een, vaak door de docent samengesteld, groep van leerlingen die op een bepaald cursusonderdeel hetzelfde niveau hebben en dus bijvoorbeeld gemeenschappelijk nieuwe informatie of nieuwe uitdagingen kunnen opdoen.
De keuzegroep: een groep van mensen die voor een bepaalde periode dezelfde activiteit kiezen.
Op basis van de ideeën en ervaringen van Petersen werden in de jaren zestig enkele elementaire waarden voor Jenaplanscholen op een rij gezet:
-
inclusief denken: de school is niet alleen een instrument van economische, politieke en religieuze belangen, maar vooral gericht op de belangen van het kind zelf (antropologisering van het pedagogisch denken en handelen);
-
authenticiteit: de school dient te streven naar echte ontmoetingen tussen jonge mensen en de werkelijkheid, waar echte vragen gesteld kunnen worden en reële problemen aan de orde komen;
-
humanisering en democratisering van de schoolwerkelijkheid, dialoog, vrijheid door gemeenschappelijke autonome ordening van de leef- en werkgemeenschap, die school heet;
-
opvoeden tot kritisch denken en creativiteit.
In de jaren tachtig werden de pedagogische minima geherformuleerd tot de twintig al eerder gegeven en toegelichte basisprincipes. In de delen ‘verdieping’ zijn de consequenties van die principes voor de school en de schoolorganisatie uitgewerkt. Dat leidt tot het volgende
Algemeen beeld van een moderne Jenaplanschool
-
Jonge mensen worden als (totale) persoon gerespecteerd en in hun waarde gelaten door docenten en medeleerlingen. Ook docenten worden zo behandeld. Zij worden zo veelzijdig mogelijk aangesproken op hun eigen kwaliteiten.
-
Er wordt niet gediscrimineerd: de school werkt roldoorbrekend, stimuleert respect voor andere opvattingen en biedt voldoende (eventuele remediale) hulp bij geconstateerde leerproblemen of –achterstanden. Prestaties worden gestimuleerd, wedijver wordt vermeden.
-
Er wordt niet geüniformeerd: Jenaplanscholen kenmerken zich door zelfstandig leren en differentiëren, volledige ontplooiing (hoofd, hart en handen), veelzijdig aanbod en door het opsporen, bewust maken, activeren en versterken van individuele capaciteiten. Er wordt zoveel mogelijk uitgegaan van en aangesloten bij het eigen ontwikkelingsniveau van elke leerling met als doel de volgende stap te stimuleren. Jenaplanonderwijs is ontwikkelingsgericht leren. Dat betekent ook dat er gewerkt wordt in heterogene groepen, qua niveau en zo mogelijk ook qua leeftijd.
-
De school stimuleert de echte betrokkenheid met de werkelijkheid, waarmee leerlingen kennis maken. Daarom wordt gewerkt met authentieke, aansprekende en uitdagende
-
bronnen en met echte gesprekken daarover. Er wordt zoveel mogelijk gewerkt in pedagogische situaties: (benaderde) werkelijkheid, die echte vragen oproept. Ontdekkend zelfstandig leren en samen met een groep proberen observaties uit te wisselen of problemen op te lossen zijn daarbij erg belangrijk. Bij Jenaplanonderwijs speelt ervaringsgericht leren een grote rol.
-
Er wordt niet uitsluitend gewerkt met het aanbieden van nieuwe situaties. Ook de bewustwording van en het verdiepen van de al bekende werkelijkheid is van grote vormende waarde. Daarom zal een Jenaplandocent zoveel mogelijk uitgaan van de leef- en belevingswereld van de leerlingen. Daarbij dient er een goed evenwicht te zijn tussen door docent en jongeren ingebrachte elementen.
-
De basis van Jenaplanonderwijs is wereldoriëntatie. Elk vak is daar een onderdeel van. De tot nu toe gegroeide cultuur en natuur en de huidige wereld waarin wij (gaan) leven vormen de leerstof. Samenhang is daarbij erg belangrijk. Naast de eigen cultuur worden ook andere culturen uitgebreid bestudeerd (mondiaal/multicultureel leren).
-
De school beperkt zich niet alleen tot aanbod, zelfs niet in de vorm van ontdekkend leren. Leerlingen worden gestimuleerd zelf cultuurvernieuwer te zijn, nieuwe oplossingen en vormgevingen te zoeken. Daarnaast wordt er alles aan gedaan om leerlingen ook gevoelsmatig betrokken te laten zijn: zorg voor, verantwoordelijkheid voor, betrokkenheid bij natuur en cultuur. Het gaat er bij het Jenaplanonderwijs niet om zomaar cultuur te verwerven. Het is belangrijk dat een jongere ziet en voelt, wat hij/zij met die werkelijkheid aan moet. De leerling moet zich gaan afvragen, wat zijn betrokkenheid is bij natuur, gegroeide cultuur en huidige en toekomstige maatschappij: zinzoekend onderwijs, waarbij zorg en participatie een belangrijke rol spelen.
-
Zoveel mogelijk wordt geprobeerd de grondvormen gesprek, spel, werk en viering op te nemen in het leerproces als fasen van leren: introductie van een thema, kennismaking, onderzoek, verslag, nabeschouwing. De basis is daarbij steeds de stamgroep, maar van daaruit kan in tafelgroepen, niveaugroepen, stamgroepen of individueel gewerkt worden. In het Jenaplan leren mensen samen te werken, te overleggen, elkaar te helpen, samen te leven: het is coöperatief onderwijs.
-
Er vindt een regelmatige afwisseling van werkvormen plaats, per vak en per periode (dagritme, weekritme). Daarbij wordt niet in eerste instantie uitgegaan van een bedachte organisatie maar van de mogelijkheden en behoeften van leerlingen.
-
Beoordelen heeft altijd een leereffect, een opvoedkundig effect. Daarom gebeurt het aansluitend op de ontwikkelingsmogelijkheden van elke leerling en in overleg met hem. De leerling moet kunnen zien, hoe hij/zij zijn leerstrategieën het best kan wijzigen om tot optimaal resultaat te komen (leren leren). Dit kan de leerling helpen bij echt zelfstandig leren, bij zelfsturing en zelfreflectie.
-
Op de school bestaat een goede en democratische overlegstructuur tussen alle betrokkenen. Er wordt werk gemaakt van gemeenschappelijke afspraken en een rechtvaardige verdeling van hulpmiddelen, ruimte en tijd. Er is sprake van coöperatie.
-
Door voortdurende reflectie op de gegroeide praktijk, zal de school steeds in verandering blijven. Voor starheid, vastroesten of dogmatisme is op een Jenaplanschool weinig plaats.
Bron:
'Concept Jenaplan VO', geschreven door Drs. P.J. Seijbel, Jenaplan-coördinator van Stedelijk Scholengemeenschap Nijmegen (SSgN).
Het volgende artikel uit het document 'Concept Jenaplan VO' lezen? Klik dan op 'Jenaplan als moderne onderwijsvorm'
